Elia – uit Profeten en Koningen (Ellen White)

Het verhaal van Elia, beschreven in het boek Profeten en Koningen door Ellen G. White – hoofdstukken 10 t/m 14. Hoe leerzaam en waardevol juist voor deze tijd !

Elia de Tisbiet

Zie 1 Koningen 17:1 -7
In de bergen van Gilead, ten Oosten van de Jordaan, woonde in de dagen van Achab een man van geloof en gebed, wiens onbevreesde dienst bestemd was de steeds groeiende afval in Israël een halt toe te roepen. Hoewel hij ver van een bekende stad woonde en weinig aanzien genoot, werd Elia toch door God geroepen en ging hij vol vertrouwen aan het werk, met het besef dat God hem succes zou geven en voor hem de weg zou banen. Hij sprak vol geloof en macht, en heel zijn leven was gewijd aan het werk van hervorming. Hij was de stem van een die roept in de woestijn, om zonde te bestraffen en het kwaad te weerhouden. En hoewel hij tot het volk kwam om de zonden te veroordeelden, was zijn boodschap voor allen die genezing zochten, als de balsem van Gilead.
Toen Elia zag dat Israël steeds dieper zakte in afgoderij, was hij tegelijk bedroefd en verontwaardigd. God had grote dingen gedaan voor zijn volk. Hij had hen uit slavernij verlost en hun “de landen der volken” gegeven, zodat ze zijn geboden en wetten zouden onderhouden, en zijn wetten bewaren.” (Psalm 105:44,45). Maar Gods zegeningen waren vrijwel vergeten. Ongeloof maakte een scheiding tussen het uitverkoren volk en de Bron van hun kracht.
Terwijl hij deze afval zag vanuit zijn afgelegen woonplaats, werd Elia door verdriet overweldigd. In zielsangst smeekte hij God om het begunstigde volk te weerhouden op hun goddeloze weg, hen te treffen door zijn oordelen als dat nodig zou zijn, zodat ze hun afdwaling van God in het juiste licht zouden zien. Hij verlangde dat ze tot bekering zouden komen alvorens ze zover zouden gaan in hun boosheid, dat de Here hen volkomen zou verdelgen, Het gebed van Elia werd beantwoord. Herhaalde oproepen, waarschuwingen en protesten hadden Israël niet tot inkeer gebracht. De tijd was gekomen dat God tot hen moest spreken door zijn oordelen. Omdat de aanbidders van Baäl beweerden dat de schatten van de hemel, de dauw en de regen, niet van de Here, maar van de heersende natuurkrachten kwamen, en dat de scheppende kracht van de zon de aarde verrijkte en vruchtbaar maakte, zou Gods vloek zwaar drukken op het verdorven land. De afvallige stammen van Israël zouden de dwaasheid zien van het feit, dat ze voor tijdelijke zegeningen uitzagen naar Baäl. Er zou op hun land geen dauw of regen vallen, tot ze zich zouden bekeren tot God, en Hem zouden erkennen als de Bron van alle zegeningen.
Elia moest aan Achab de boodschap brengen van het oordeel van God. Hij had niet gevraagd de boodschapper des Heren te mogen zijn; het woord des Heren kwam tot hem. En omdat hij ijverde voor de zaak des Heren, aarzelde hij niet om gehoor te geven aan Gods bevel, hoewel gehoorzaamheid een snelle ondergang kon betekenen door de hand van de goddeloze koning.
De profeet ging direct op reis en trok dag en nacht door, tot hij Samaria had bereikt. Bij het paleis vroeg hij geen belet, of wachtte tot hij was aangekondigd. Gekleed in de ruwe mantel, die gewoonlijk door de profeten van die dagen werd gedragen, passeerde hij de wachten, naar het scheen ongemerkt, en stond even later voor de verbaasde koning.
Elia verontschuldigde zich niet voor zijn onverwachte verschijning. Iemand, groter dan de koning van Israël, had hem geboden te spreken; en met zijn hand opgeheven, verklaarde hij plechtig aan de koning dat de oordelen van de Allerhoogste spoedig Israël zouden treffen. “Zo waar de Here, de God van Israël, leeft, in Wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.”
Alleen door een sterk geloof in de onfeilbare kracht van Gods woord kon Elia zijn boodschap brengen. Als hij geen onvoorwaardelijk vertrouwen had gehad in Hem, die hij diende, zou hij nooit naar Achab zijn gegaan. Op weg naar Samaria had Elia verschillende stromen overgestoken die nooit droog waren, hij was over groene heuvels en machtige bossen gekomen die schijnbaar nooit door droogte konden worden aangetast. Alles waar het oog op viel, was met schoonheid bekleed. De profeet had zich kunnen afvragen hoe deze stromen ooit konden opdrogen, hoe deze heuvels en dalen ooit door de zon verbrand konden worden. Maar hij gaf niet toe aan ongeloof. Hij was er ten volle van overtuigd dat God Israël zou vernederen, en dat ze door oordelen tot inkeer zouden komen. God had gesproken, en zijn woord zou niet falen; en Elia stelde onbevreesd zijn leven in de waagschaal om zijn boodschap te brengen. Als een donderslag bij heldere hemel trof de boodschap van het naderend oordeel de goddeloze koning; maar eer Achab zich had hersteld van zijn verbazing, of antwoord kon geven, verdween Elia even plotseling als hij gekomen was, zonder de uitwerking van zijn boodschap af te wachten. De Here ging voor hem uit om hem de weg te wijzen. “Wend u oostwaarts”, luidde Gods bevel, “en verberg u bij de beek Kerit, die in de Jordaan uitmondt. Gij kunt uit de beek drinken, en ik heb de raven geboden u daar van spijze te voorzien.” De koning liet overal naar de profeet zoeken, maar deze was niet te vinden. Koningin Izebel zocht onmiddellijk raad bij de priesters van Baäl, boos over de boodschap die de schatten van de hemel had toegesloten, en samen vervloekten ze de profeet en daagden de toorn van de Here uit. Ondanks hun inspanningen hem te vinden wiens woorden onheil hadden aangekondigd, werden ze teleurgesteld. Ook konden ze voor anderen niet verborgen houden welk oordeel was uitgesproken over het volk op grond van de toenemende afval. Het bericht van de veroordeling van hun zonden door Elia, en van zijn voorspelling van een snel naderende straf, ging als een vuur door het land. Sommigen werden bang, maar in doorsnee werd de hemelse boodschap onder spot en smaad gehoord.
De woorden van de profeet gingen onmiddellijk in vervulling. Zij die eerst geneigd waren te spotten met de gedachte aan een ramp, hadden al spoedig aanleiding om ernstig na te denken; want na enkele maanden werd de aarde, niet langer bevochtigd door dauw of regen, droog en alles wat groeide verdorde. Met het verstrijken van de tijd gingen stromen waarvan men het nooit gedacht had, afnemen. Toch werd het volk door zijn leiders aangemaand vertrouwen te hebben in de macht van Baäl, en de profetie van Elia als zinloze woorden te vergeten. De priesters hielden vol dat de regen viel door de macht van Baäl. Vrees niet de God van Elia, en beef niet voor zijn woord, zeiden ze; het is Baäl die de oogst brengt op zijn tijd, en die voor mens en dier zorgt.
Gods boodschap aan Achab gaf aan Izebel en haar priesters, alsmede aan alle volgelingen van Baäl en Astarte de gelegenheid de macht van hun goden te bewijzen, en indien mogelijk aan te tonen dat de woorden van Elia onjuist waren. Tegen de verzekeringen van honderden afgodische priesters stond alleen de profetie van EIia. Als Baäl, ondanks de woorden van de profeet, dauw en regen kon geven, zodat de stromen niet droog werden en alles bleef groeien, laat dan de koning van Israël hem dienen, en heel het volk zeggen dat hij God is.
Vastbesloten het volk onder hun ban te houden, gaan de priesters van Baäl door met het brengen van offeranden aan hun goden, terwijl ze hen dag en nacht aanroepen om de aarde regen te geven. Met kostbare offers trachten de priesters de toorn van hun goden af te wenden; met een ijver en toewijding, een betere zaak waard, schaarden ze zich om hun heidense altaren, en blijven ernstig bidden om regen. Elke nacht stijgen in heel het gedoemde land hun kreten en smeekbeden op. Maar overdag verschijnen geen wolken om de brandende stralen van de zon tegen te houden. Dauw noch regen verfriste de aarde. Het woord van God staat onwankelbaar tegenover alles wat de priesters van Baäl doen.
Deel dit bericht op facebook of twitterShare on FacebookTweet about this on Twitter